In de afgelopen maand heb ik geregeld hiv en aids trainingen
gegeven. We starten tijdens deze trainingen meestal met de statistieken. Een
onderdeel dat je snel voorbij kunt gaan, maar wat toch even anders wordt als je
erover nadenkt dat het om echte personen gaat. Er zijn op dit moment 2,1
miljoen weeskinderen in Zuid-Afrika vanwege hiv en aids. Een groot nummer dat
je eigenlijk weinig zegt tot je er werkelijk mee te maken krijgt...
Het is een gewone werkdag en de bel gaat. Ik loop naar de deur en zie een vrouw staan. Ze vraagt om hulp. Ze wil haar kleinkinderen plaatsen op een
kleuterschool, maar de kleuterschool is vol. Ze vraagt of ik misschien een
brief kan schrijven om aan de kleuterschool te vermelden dat dit een
noodsituatie is en te vragen of ze misschien toch plaats kunnen maken voor haar
drie kleinkinderen. Ik vraag haar wat er aan de hand is en ze begint te
vertellen…
Haar dochter van 32 jaar is nu al een paar weken ernstig
ziek. Ze is zo ziek dat ze niet meer uit bed kan om voor haar kinderen te
zorgen. Haar dochter heeft vier kinderen van wie drie 5 jaar of jonger. Zelf
moet ze dagelijks naar haar werk en aangezien dit de enige bron van inkomen is
voor het gezin kan ze niet thuisblijven om voor haar dochter en kleinkinderen
te zorgen. Ik maak een afspraak om haar zo snel mogelijk thuis te bezoeken.
Samen met een collega rijd ik naar haar huis. Het is niet
zover van ons vandaan en we worden welkom geheten door een meisje van 12 jaar.
Ze opent de deur en vertelt dat haar moeder er niet is. Wanneer ik haar moeder
bel vertelt ze dat ze eraan komt en we binnen in het huis op haar kunnen
wachten. Binnen treffen we nog drie kinderen aan. Een tweeling van 5 jaar oud
en een jongetje van 4 jaar. Ze kijken ons met grote ogen aan en blijven zo
dicht mogelijk bij het oudere meisje staan.Ik voel mij ongemakkelijk. Wat kan ik deze kinderen bieden? Ik voel mij klein en besef dat ik weinig kan doen, maar ze zo graag uit deze verdrietige situatie zou willen halen en zou willen zeggen dat alles wel goed komt.
Tijdens een gesprekje met het oudere meisje komen we
erachter dat het haar zus is die ziek is. Ik vraag haar of ze op dit moment
thuis is. Ze zegt van niet, maar wanneer ik haar vertel dat haar moeder gezegd
heeft dat ze hulp nodig hebben neemt ze me mee naar een klein kamertje achter
in het huis en zegt dat haar zus daar is. Ik open de kamer en zie een vrouw
liggen op de grond. Ze ligt op een dun matrasje. Ze ligt onder een deken die
bedekt is met opgedroogd braaksel. De vrouw slaapt en ik besluit te wachten tot
ze wakker wordt. Even later horen we gekreun vanuit de slaapkamer. De kleuters
rennen naar de kamer en staren naar hun zieke moeder. Als haar zus vraagt of we
haar kunnen zien stemt ze knikkend toe. Ik loop de kamer in en de jonge vrouw
kijkt de andere kant op. Ik stel haar een paar vragen en ze probeert te
antwoorden, maar ik versta er niets van. Ik loop naar de andere kant van het
matras en zie dat haar mond omringt is met zweren. Haar ogen zijn groot en de
dood staat geschreven op haar gezicht. Ik vraag haar of ik voor haar mag
bidden. Ze knikt. Na het gebed laat ik haar duidelijk merken dat we er alles
aan zullen doen om haar en ook haar kinderen te kunnen helpen.
We probeerden haar moeder een aantal keren te bereiken, maar
dit werkt niet uit zoals we hadden gehoopt. Twee dagen later kreeg ik haar
moeder te pakken. Ze vertelde dat haar dochter gisterenavond overleden is. We
bezoeken het gezin en spreken met de moeder. Ze vertelde dat ze dankbaar was
voor het gebed wat we mochten uitspreken voor haar dochter. Ze ervoer dat dit
een rust gaf aan haar dochter waardoor ze naar ‘huis’ kon gaan.